PVV of D66: twee gezichten van één ongemak met religie
De verkiezingen van 2025 laten een bijna symbolische strijd zien tussen twee totaal verschillende gezichten van Nederland. Aan de ene kant staat de PVV, uitgesproken in haar afkeer van de islam. Aan de andere kant D66, die zich presenteert als beschermer van vrijheid en vooruitgang. Beide partijen eindigen met evenveel zetels, maar hun visie op religie en samenleving verschilt fundamenteel.
Voor moslims in Nederland is de uitslag geen reden tot geruststelling. Een overwinning van de PVV zou betekenen dat islamitische scholen, moskeeën en religieuze symbolen direct onder druk komen te staan. Geert Wilders heeft nooit onder stoelen of banken gestoken dat hij de islam geen plek in het openbare leven gunt. Zijn partij wil ritueel slachten verbieden, hoofddoekjes weren uit overheidsfuncties en moskeeën sluiten. Dat raakt niet alleen de vrijheid van godsdienst, maar ook het gevoel van veiligheid van honderdduizenden Nederlandse moslims.
Toch betekent een sterk D66 niet automatisch bescherming van die vrijheid. Achter het liberale taalgebruik van de partij schuilt een diepgeworteld seculier denken dat religie het liefst naar de privésfeer verwijst. De vrijheid die D66 verdedigt, is niet die van gemeenschappen, maar van het individu. Dat idee wordt kernachtig samengevat door Boris van der Ham, oud-Kamerlid voor D66 en voorzitter van het Humanistisch Verbond: “De ultieme minderheid is het individu.”
Van der Ham beschreef al in 2014 hoe seculiere partijen zich ongemakkelijk voelen bij religieuze gebruiken van joden en moslims. Wanneer het gaat over rituele slacht, jongensbesnijdenis of bijzonder onderwijs, verschuift de nadruk al snel van bescherming naar beperking. D66 benadrukt het belang van persoonlijke keuzevrijheid, maar diezelfde redenering wordt ook gebruikt om religieuze gebruiken die collectief worden beleefd te beperken. Wie zijn geloof zichtbaar wil uitdragen – met een hoofddoek, een moskee of een school die islamitische waarden uitdraagt – stuit bij D66 niet op openlijke vijandigheid, maar wel op een subtiele vorm van wantrouwen.
In de Tweede Kamer stemde D66 in het verleden tegen een verbod op onbedwelmd slachten, maar dat deed de partij niet uit religieuze overtuiging. Het was een juridische afweging, ingegeven door grondrechten, niet door respect voor religie. In andere debatten pleitte D66 juist voor strengere regels rond religieuze scholen en meer toezicht op wat er in de klas wordt onderwezen. Het uitgangspunt blijft dat de staat waakt over individuele autonomie, ook als dat botst met collectieve religieuze tradities.
In haar buitenlandse koers spreekt D66 vaker over mensenrechten dan over religieuze solidariteit. De partij veroordeelt het geweld in Gaza, maar mijdt duidelijke woorden over de Israëlische bezetting. Dat contrast is voor veel moslims pijnlijk zichtbaar: de taal van neutraliteit en gelijkheid klinkt mooi, maar leidt zelden tot echte verdediging van rechtvaardigheid.
De uitslag van deze verkiezingen legt een diepere spanning bloot. Nederland is een land dat religie niet meer verbiedt, maar ook niet meer begrijpt. Voor moslims betekent dat een toekomst waarin vrijheid telkens opnieuw bevochten moet worden. Of die vrijheid straks bedreigd wordt door openlijk vijandige politiek of langzaam uitgehold door seculier beleid, zal de komende maanden duidelijk worden. Eén ding staat vast: de plaats van de islam in Nederland blijft niet vanzelfsprekend.