ICJ: Israël moet hulpverlening VN in Palestijnse Gebieden toelaten
Israël is verplicht om humanitaire hulp, zoals die van de VN-organisatie UNRWA, in de Palestijnse Gebieden toe te laten en mag dit niet tegenhouden, aldus het Internationaal Gerechtshof (ICJ). De Algemene Vergadering van de VN had het ICJ gevraagd zich over deze kwestie te buigen, nadat Israël vorig jaar UNRWA had verboden actief te blijven in de Palestijnse Gebieden. Israël beschuldigde UNRWA onder meer van banden met Hamas, maar het hof stelt dat bewijs daarvoor ontbreekt. Als bezettende macht is Israël verplicht om de humanitaire hulp in de Palestijnse Gebieden te faciliteren. Het tegenhouden van hulp, zoals tijdens de maandenlange blokkade eerder dit jaar, is eveneens niet toegestaan, oordeelt het hof. De enige uitzondering hierop is wanneer dit ten behoeve van de lokale bevolking is, wat hier niet het geval was, aldus het gerechtshof. UNRWA is al sinds 1949 actief om Palestijnse vluchtelingen te helpen die bij de oprichting van de staat Israël in 1948 werden verdreven.
De rechter stelt dat geen enkele andere organisatie in staat was die verantwoordelijkheden over te nemen. Het gerechtshof benadrukt dat Israël de blokkade begon zonder vervangende organisatie. De rechter merkt op dat er tien weken lang geen vervanging was. De Gaza Humanitarian Foundation, die later door Israël naar voren werd geschoven, kon onvoldoende humanitaire hulp leveren. De uitspraak van het hof is niet bindend, maar wel van belang. Het advies is namelijk getoetst aan regels die wel bindend zijn.